zondag 19 juni 2011

De vernieuwde Basisvorming

Op veel scholen is sinds 2006 de vernieuwde basisvorming ingegaan. Dit brengt een hoop vernieuwingen met zich mee. Een belangrijk punt hierbij is dat de scholen voor een groot deel zelf mogen invullen hoe ze met deze vernieuwingen om gaan en welke vernieuwingen er komen. Een belangrijk element van de vernieuwde basisvorming is dat er voor de leerlingen meer samenhang tussen de vakken moet komen. Vaak word dit gerealiseerd door middel van vakoverstijgende thema´s waar we natuurlijk hier op de academie ook veel mee te maken krijgen.. Op de school waar we stage hebben gelopen hebben we hier echter heel weinig van meegekregen. Het is een redelijk nieuwe school en waarschijnlijk hebben ze wel een nieuwe lesstructuur aangenomen maar deze berust niet echt op de vernieuwde basisvorming. Als we naar de basisvorming vroegen dan kregen we vaak te horen dat de docent erg op hun eigen van zijn gesteld en dat het in zulke gevallen erg moeilijk is om ze te interesseren in vakken van een ander, laat staan een overkoepeling. Dit merk ik eigenlijk ook op de academie heel sterk tegenover de interfacculteit. Ook daar is het moeilijk omdat de docenten allemaal heel verschillend tegen dit project aankijken. Datzelfde merk ik ook bij de leraren op deze middelbare school.

Een aantal punten die de veranderingen van het oude leren naar het nieuwe leren weergeven

o Van kennis consumeren naar kennis construeren

o Van klassikaal lesgeven naar meer verschillende werkvormen

o Van ‘van buiten leren’ naar ‘van binnen leren’

o Van kennisoverdracht naar ‘leren leren’

o Van leraar als docent en beoordelaar naar leraar als coach en begeleider

o Van deelvaardigheden naar geïntegreerde betekenisvolle lesstof

o Van leren voor de toets naar toetsen wat er geleerd is.

o Van schoolse abstracties naar echte situaties en leren in een context.

o Van leren van feiten en geïsoleerde vaardigheden naar verwerven van competenties.

o Van ordening in vakken naar ordening in problemen en belangstellingsgebieden.

o Van leraar+boek naar een veelheid van bronnen en hulpmiddelen.


Wat ik heb gemerkt is dat het hele concept van de vernieuwde basisvorming een beetje lijkt op dat van het profielwerkstuk. Daar worden ook twee vakken voor aan elkaar gekoppeld. Ik vond het interessant dat de leerlingen vaak (toevallig net als ik) tekenen en wiskunde combineren. Door de op deze manier een link te laten leggen kan de interesse van een vak dat aanvankelijk niet zo interessant leek aangewakkerd worden. Als dit meer zou gebeuren zou dit naar mijn mening ook een positieve invloed hebben op de algemene kennen. Hier ontbreekt het nog al eens aan naar mijn mening.

De meeste leerlingen zijn bij wiskunde bijvoorbeeld gewend om alleen maar uit het boek te werken en maar zelden een praktische opdracht hoeven te maken. Toch wordt er veel geleerd bij het maken van praktische opdrachten, het gaat dan om meer dan alleen maar wiskundige vaardigheden.

Hetzelfde geld vaak andersom. Op veel scholen is de praktijk binnen de tekenvakken het belangrijkst en wat me opviel is dat de theorie die er achterzit een beetje word afgeraffeld. Het lijkt me juist heel effectief om leerlingen juist ook die theorie op een toepasselijke wijze eigen te maken zodat ze ook het nut van het vak gaan inzien en het niet als een uurtje lekker kliederen en kletsen zien. Een groot deel van het hele principe hang af van in hoeverre je leerlingen bewust kan maken van het belang en in hoeverre het betrekking heeft tot hun eigen zijn.

1e Stage Mondial College Nijmegen

 
Leertaken tijdens de basisstage     


Tijdens mijn stage op het Mondial college in Nijmegen hebben wij een aantal leertaken uitgevoerd. We hebben bijvoorbeeld een gesprek gehad met de congierge. Uit dit gesprek kwam vooral dat er heel streng op werd gelet dat er geen rotzooi in de school gemaakt word. Het is een nieuwe school en het gebouw moet schoon blijven. Dit hebben we de eerste dag ook al meteen ondervonden toen we vrolijk kauwgumkauwend door de gang liepen. We werden hier meteen op aan gesproken, en nog een beetje verdwaasd dan ook ons kauwgummetje in de prullenbak gedeponeerd. Vervolgens vroeg de congierge ons wat we hier eigenlijk deden, want we zaten niet op deze school. Nou dat was nog eens een warm welkom.. Achteraf bleef dus dat het een nieuw gebouw was en dat er zoveel kauwgum op de vloer terecht komt dat ze het verboden hebben. Ook mobieltjes mogen niet aan in de school (was ook even wennen). Ik vind het een opvallend, maar ook goed feit dat het personeel van de school meteen wist dat we niet op de school zaten. Dat betekend dat niet elke malloot gewoon maar even naar binnen kan lopen. Ook de fietsenstallingen waren erg netjes ingedeeld. De congierge vertelde dat het ook wel echt nodig was dat er zon strenge maatregelingen genomen worden. Een andere congierge heb ik niet gesproken maar die hoorde we bij elk voorbijgaan mopperen over wat een troep de kinderen er van maken, dus ik denk dat die mening door het hele gebouw gedeeld word. Ook hebben we redelijk wat te maken gehad met het personeel van de kantine. Vaak moesten we bij hen zijn om dingen te halen voor de begeleidster. We werden dan vaak wel een beetje wantrouwend aangekeken. Alles gaat daar in ieder geval volgens strenge regels. Dat hebben we in ieder geval goed gemerkt.

De dag van de eerste week dat we stage liepen(wij liepen 2 dagen. De maandag en de donderdag- ochtend.) hebben we een hele dag met een klas meegelopen. Ik vond dit er leuk en herkenbaar. Het was voor mij al weer een tijd geleden dat ik van het middelbare onderwijs ben gekomen. Irene keek hier misschien wat anders tegen aan omdat die net zelf van de middelbare school af kwam. De klas had die dag een aantal lessen van verschillende docenten en je merkte heel goed dat de groep op elke docent anders reageerde. Ook merkte we dat de klas heel vreemd reageerde op onze aanwezigheid. De meest sterke verhalen over het weekend werden “net iets te hard”verteld. En tijdens die wilde verhalen kwam er vaak even een schuine blik naar ons om te zien of we ze wel gehoord hadden. De leraar van de eerste les had schijnbaar niet zon in ons want toe de klas moest uitrekenen wat 60:100 was en er geen antwoord kwam vroeg hij het aan ons om vervolgens meteen erachter aan te zeggen “och trouwens, laat ook maar, jullie weten dat toch niet want jullie zijn van de pabo”. Erg interessante reactie want we hadden zon 10 minuten daarvoor uitgelegd dat we van de opleiding beeldende kunst en vormgeving waren. Maar je kunt natuurlijk niet alles hebben hea.

In een van de lessen kregen de leerlingen een proefwerk aardrijkskunde. De lerares vond het geen probleem dat we erbij gingen zitten, dus dat hebben we ook gedaan. Het is leuk om te observeren hoe zon toets nou precies in zn gang gaat. Ook omdat we binnen ons vakgebied dus wel minder te maken zullen hebben.

Omdat we graag wilde weten hoe het met Ckv op de school gesteld was zijn we daar informatie over gaan inwinnen. Het leuke was dat ze daar echt een speciaal klein hokje voor hadden met aan de buitenkant een brievenbus waar de leerlingen hun opdrachten in konden doen. Heel leuk. We werden heel leuk ontvangen ondanks dat de vrouw het erg druk had en dus hebben we aangeboden te helpen. Het was toevallig tijd om de cjp-passen uit te delen. Deze moesten eerst per klas gesorteerd worden. Dat was best een karwei omdat alle leerlingen gewoon door elkaar lagen en we moesten controleren of er voor iedereen een pas was. Ze vertelde dat de passen via internet geactiveerd moesten worden en dat zeker 80% dat moest doen omdat ze anders de subsidie niet zouden krijgen. De school stond er dus op dat dit klassikaal zou gebeuren i.p.v thuis. Een goede zaak vond ik dat. We mochten de volgende keer dat we aanwezig waren de kinderen uit de klassen halen en ze helpen met het activeren van de passen. Met die pas kregen ze korting op culturele activiteiten. Van die activiteiten (ik geloof minstens 3) moesten ze dan een kort verslagje maken. Ze kwamen van te voren vragen of de activiteit goed was. Dan kregen ze een paraaf. Dan gingen ze er heen en maakten ze er een kort verslag van en leverden dit in.

We hebben natuurlijk ook veel met leerlingen gepraat. Deze vonden het vaak leuk als je een praatje met ze kwam maken en waren ook erg geïnteresseerd in wat wij deden. Maar ik had wel sterk het idee dat alles wat ze vertelden over wat ze bijvoorbeeld van de manier van lesgeven van de docent vonden een beetje gekleurd was. Sommige zeiden juist dat het heel goed was omdat ze misschien bang waren dat was ze zeggen bij die docent terecht zou komen. Anderen waren juist weer overdreven negatief om een beetje stoer te doen. Dus ik ga er een beetje van uit dat ik niet helemaal op de op de objectiviteit van de antwoorden kan vertrouwen. Wat ze in het algemeen wel ervaren over de school is dat het er redelijk streng aan toe gaat, maar dat ze het wel een prettige school vinden.

We hebben natuurlijk nog wel meer mensen gesproken maar over het algemeen merkten we dat het een drukke tijd was. Er waren proefwerken en veel mensen waren een beetje geïrriteerd. Daarentegen zijn we door veel mensen hartelijk ontvangen en hebben we toch een redelijk goed overall beeld gekregen.

woensdag 8 juni 2011

Eigenschappen van een Docent

Eigenschappen

Goede eigenschappen van een docent:
- Georganisserd;
- Goede structuur van lesmateriaal;
- Geeft duidelijke grenzen aan;
- Betrokkenheid naar de leerlingen toe;
- Met overtuiging over zijn eigen vakinhoud praat;
- Autoriteit uitstralen;
- Duidelijk praten en schrijven;
- Eigen fouten durven toegeven;
- Jezelf flexibel kunnen instellen;
- Opbouwende kritiek kunnen geven.

Slechte eigenschappen van een docent:
- Onvoorbereid de les geven;
- Leerlingen voortrekken of juist benadelen;
- Te persoonlijk met leerlingen omgaan;
- Over jezelf heen laten lopen door leerlingen en collega's;
- Afspraken niet nakomen;
- Er onverzorgd bijlopen;
- Leerlingen niet uit laten praten;
- Te laat naar de les komen;
- Pestklacht wegwuiven;
- Leerlingen niet stimuleren wanneer nodig.

dinsdag 29 juni 2010

Kindertekeningen

Tekenen kinderen:






Krabbelfase ca. 1-4 jaar:

• Pen/potlood vast kunnen houden;

• Kunnen zitten;

• Verbazing van kleur op papier (sporen);

• Beschikken over grove motoriek;

• Kind ziet dat het spoor een lijn is.

• Kind kan langzamerhand staan/lopen;

Beheerst motoriek steeds beter. Samenhang tussen waarnemen en motoriek.

• Kind gaat rondjes maken met het potlood;

In de krabbelperiode vind er een overgangsfase plaats. Ze gaan de tekeningen benoemen. Het tekentje heeft alleen geen vaste naam, als het de ene keer een vogel is, is het de andere keer een boom. Begripsvorming. De benoeming hoeft niet overeen te komen met de werkelijkheid, het is onbetrouwbaar. Een kind maakt zijn eigen werkelijkheid.

Gecodeerde werkelijkheid ca. 4-9 jaar:

Kind tekent spontaan en is creatief. Ze maken als ware afspraken over wat en hoe. Niet te vergelijken met de werkelijkheid.

Je hebt twee benaderingen:

het ene kind ontwikkeld zich visueel meer dan het andere kind.

- Fysioplastische kinderen:

meer visueel begaafd (schouwer)

- ideoplastische kinderen:

minder visueel begaafd (bouwer)

Eerste onderwerpen:

- mens/ boom (de koppoter is het uitgangspunt voor de boom).

- huizen/ voertuigen/ zon/ bloemen/ dieren/ wolken.

Ideografische kenmerken:

Meer het wat dan hoe.

Een groot kenmerk is de wanordelijke plaatsing.

Er is bijna plaats voor eerste ordening dit ontstaat langzaam vanuit wanorde.

Kubistisch tekenen ca. 4-9 jaar:

Het kind gaat variëren in en face en en profil. Deze gaat hij combineren.

De kinderen hebben in deze fase vaak 2 aanzichtspunten:

- vogelvlucht perspectief

- van voren

deze twee worden vaak gecombineerd.

De omklapping/rabattement

De doorzichtigheid. Als je bijvoorbeeld naar huizen kijkt, geen muur. Je kijkt er dwars doorheen.

Haaks contrast

schoorsteen die bijvoorbeeld schuin op het dak staat. Of een mens met de armen wijd in plaats van naast het lichaam.



Juxtapositie

Is afzonderlijke plaats van positie. Ca. 8 jaar.

voorwerpen los van elkaar. Geen overlapping of afsnijding

Exemplariteit:

(Bij 7 jaar wordt het erger). Het kind kiest wat bijzonder is voor een figuur. De kenmerkende eigenschappen. Bijvoorbeeld de strik in iemands haar extra groot maken.

het benadrukken van een eigenaardigheid.



belangrijkheid en verdringing.

Benadrukken van iets belangrijks bijvoorbeeld een visser tekenen met een hengel in zijn hand en dan de andere hand helemaal niet tekenen want die is niet belangrijk.

Schrijfhelling:

kind tekent bijvoorbeeld van links onder naar rechts boven.

Kleurcodering:

Het kind kiest nog steeds niet voor de daadwerkelijke objectkleuren, maar kiest zelf de kleuren uit. Bijvoorbeeld blauwe wolken in plaats van wit.

Verschil tussen jongens en meisjes tekeningen is groot.

Geestelijk gehandicapten:

volwassenen worden in de leeftijdscategorie van kinderen geplaatst.

maandag 12 april 2010

Stageplan

Leerautobiografie



Om te beginnen heb ik het basisonderwijs gevolgd. Dit heb ik gevolgd in wijchen in gelderland op de school de bolderberg. Op de basisschool hield ik me graag bezig met creatieve vakken. Ik vond het leuk om met mijn handen bezig te zijn in plaats van in de boeken te zitten.



Na het basisonderwijs ging ik mijn middelbare opleiding volgen in wijchen aan het ‘maaswaal- College’ (vwo, CM profiel). Na het middelbaar onderwijs ben ik de WO opleiding Psychologie gaan doen. Dit heb ik gevolgd aan de school Universiteit van Nijmegen.Hiernaast was ik werkzaam als begeleider in de recreatie sport.Na 2 jaar psychologie te hebben gedaan ben ik tot de conclusie gekomen dat ik iets ander wilde, en heb ik toelatingsexamen voor de docentenopleiding beeldende kunst en vormgeving aan ArtEZ in Arnhem. Daar ben ik toegelaten en zit nu in mijn eerste jaar.Dit is tevens de eerste keer dat ik stage ga lopen.

Sterkte / zwakte analyse

Zwakke punten: Sterke punten:

Planning maken en volgen.Ik wacht meestal tot het allerlaatste moment Ik ben spontaan, sociaal en schroom niet om een eerste contact te leggen/het ijs te breken

Ik heb soms moeite om de kracht en duidelijkheid van mijn stem tot het einde van mijn verhaal vast te houden. Ik ben gewend aan het spreken voor grote groepen van verschillende leeftijden en kan deze op een gepaste begeleiden

Ik neem vaak een te hoog gegrepen streefdoel Ik kan me aan anderen en mijn omgeving aanpassen

Ik heb soms te weinig vertrouwen in mijn kunnen Ik kan me goed in andere inleven.


Competentielijst

- Ik maak een overzichtelijke planning en houd me daar ook aan,mocht ik zien dat iets toch anders gaat lopen dan oorspronkelijk in de planning stond, dan pas ik deze aan i.p.v geheel te verwerpen.

- Ik probeer er zoveel mogelijk op te letten dat de kracht en duidelijkheid van mijn stem tijdens mijn verhaal niet afzwakt.

- Ik ga proberen te streven naar doelen die ook daadwerkelijk haalbaar zijn. Niet naar wat ik wil, maar naar wat ik kan. Hierdoor verwacht ik dat mijn vertrouwen in mijn kunnen toeneemt, doordat mijn streven is aangepast op wat ik daadwerkelijk kan.


Leer en oefendoelen voor deze stage

1. Ik wil er graag achter komen welke niveaus er in de verschillende groepen zijn.

2. Ik wil graag te weten komen welke verschillende opvattingen er leven betrefd het belang van het vak. ( van zowel leraren en leerlingen)

3. Ik wil leren hoe ik kan inspelen op de interesses van de leerlingen.

4. Ik wil te weten komen in hoeverre er een verband is tussen het willen en kunnen van de leerlingen.



Stage activiteiten



Gesprekken over de school



1. voer gesprekken met de docenten over hun werk en actuele ontwikkelingen daarin.

• Wat voor opleiding hebben de docenten?

• Op welke scholen hebben ze gewerkt?

• Hoe groot is hun taakomvang per week formeel?

• Hoeveel tijd besteden ze aan hun weektaak en waaraan besteden ze die?

• Wat vinden ze in het algemeen van hun leerlingen?

• Wat vinden ze van hun baan? Vinden ze het leuk, wat lastig?

• Wat vinden ze vooral belangrijk in het onderwijs?

• Wat zijn volgens de docenten vernieuwingen?

• Hoe gaan zij daarmee om?

• Hoe wordt op school over vernieuwingen gedacht?

• Wat betekenen de huidige vernieuwingen voor de leerling? Denk aan basisvorming (BAVO), de leerwegen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) of ontwikkelingen in de Beroeps- en volwassen educatie (BVE).



2. voer gesprekken met één of meer leerlingen

• Wat voor soort leerlingen komen er naar school?

• Naar welke vervolgopleidingen stromen de leerlingen door?

• Hoe gedragen ze zich in het algemeen onder de lessen en in de lesvrije momenten?

• Hoe ziet hun vrijetijdsbesteding eruit?

• Waar interesseren ze zich voor, als je kijkt naar hun kleding, tassen, agenda’s e.d.?

• Vinden de leerlingen het leuk op school?

• Welke docent vinden zij goed en waarom?

• Hebben zij tips voor jou als beginner?

• Wat vinden de leerlingen van het leren op school?

• Hoe pakken zij hun huiswerk aan?

• Hoeveel tijd staat er voor hun huiswerk en hoeveel tijd steken ze erin?

• Wat zijn hun problemen?





Onderzoekjes naar onderwijskundige bijzonderheden en faciliteiten van de school.



1. Kies een klas uit en probeer te achterhalen hoe het mentorsysteem werkt.

• worden er begeleidingsgesprekken met de leerlingen gehouden?

• Waarover gaan deze?

• Welke (tussen)rapportages zijn er?

• Wat vind de mentor van dit systeem, hoe ervaren de leerlingen het?



2. Wordt er op school iets gedaan aan hulp aan leerlingen met bepaalde deficiënties?

• achterhaal wat er wordt gedaan aan dyslexie, dyscalculie, faalangst e.a.

• wat is het schoolbeleid op deze punten?

• Hoe wordt dit beleid uitgevoerd en door betrokkenen ervaren?





Activiteiten in de les



1. observeer hoe de docent lesgeeft

• Hoe begint hij een les?

• Welke overdrachtsvormen gebruikt hij?

• Welke opdrachten laat hij maken?

• Worden die nabesproken en hoe?

• Welke andere werkvormen hanteert hij?

• Op welke wijze stimuleert hij de leerlingen tot zelfstandig leren?

• Hoe gaat hij om met ordeverstoringen?

• Hoe geeft hij huiswerk op?

• Hoe sluit hij de les af?



2. Loop een dag met een klas mee.

• Observeer hoe de leerlingen zich bij verschillende docenten gedragen.

• Kun je de verschillen verklaren uit het docent gedrag?

• Beperk je observaties ook eens tot een leerling.

• Vorm een mening over de zwaarte van die lesdag.

• Observeer het gedrag van een leerling en ondervraag hem over dit en andere punten.


Assisteren



1. Ga zodra de leerlingen zelfstandig werken, de klas in en geef begeleiding.

• Doe dit niet zomaar maar vraag de leerlingen wat ze moeten doe en of ze vragen hebben.

• Help hen bijvoorbeeld door de opgaven goed te laten lezen.

• Geef indien gewenst uitleg.

• Probeer ervoor de zorgen dat de leerlingen zelf naar een oplossing zoeken en ondersteun hen wanneer dit niet lukt. Stel bijvoorbeeld hulpvragen en geef hints.